Het Onmisbare Schrijven

Eind januari 2017 maakte ik een belangrijke keuze. Hoewel je je kan afvragen of ik wel de luxe van een keuze had. Het jaar voorafgaand aan die avond was zwaar geweest. De druk op het werk nam ernstig toe, de avonden waren te kort om mij los te maken. Op zaterdagen lukte het me min of meer te ontspannen, omdat ik me op vrijdagen kon bevrijden van de week. Zondagen schrompelden in elkaar tot weinig meer dan de dag die aan maandag vooraf ging.

Ik was verantwoordelijk voor zo’n honderdvijftig bedrijfswagens, eigendom van het bedrijf. Een veeleisende job, maar ik kon mensen helpen, iets bijdragen. Niettemin was er die schreeuw in mijn hoofd. Ik wil hier weg. Pijnlijke borst, buik, hoofdpijn. Mails stroomden mijn laptop in, bellers voegden hun deel aan de stapel toe. Elke taak, elke handeling vergde een steeds grotere inspanning, alsof ik tegen de stroom oproeide. Vergaderingen joegen mij de stuipen op het lijf, ik vermeed het contact met collega’s. Voldoening werd een oord dat ik ooit bezocht had, maar dat van de kaart was verdwenen. Toch ging ik niet op zoek naar een andere baan. Het onbekende boezemde me teveel angst in. Dus beet ik door en kromde me over de laptop, spitte me doorheen de volgende taak en de daaropvolgende.

 

Een paar maanden voor het breekpunt komt de bedrijfscoach een praatje maken. Informeert naar mijn gezondheid. Ze houdt het hoofd schuin, ziet de regen in mijn blauwe lucht. Een slanke hand komt rusten op mijn schouder. ‘Kom even mee.’

De ronde vergaderruimte sluit zich als een cocon om ons heen. Ze laat haar laptop gesloten, doet niks open, alles aan de kant. ‘Vertel.’

Ik vertel.

Over de druk, de dreiging, de nervositeit, de wolven. De bezorgdheid, thuis. Het ijs, altijd glad. Kurt vertelde haar waarschijnlijk eerder al van de afgronden waar ik soms inval. Kurt, nu weg en vervangen. Ze luistert, een bastion van begrip, een blonde haven. Achter het gebogen raam bewegen collega’s in de wereld die tegen de cocon drukt. ‘Je bent hoogsensitief,’ zegt ze tot mijn verrassing. ‘Dat had ik drie jaar geleden al begrepen.’ Ik heb geen idee wat dat betekent. ‘Schrijf je nog?’ vraagt ze vervolgens. Iets zwaars komt op mijn sinussen drukken, mijn borst hol. ‘Het lukt niet meer zo goed,’ antwoord ik. ‘Mijn hoofd zit te vol’. Met een wereld die niet de mijne is, zwijg ik er achteraan. Ze praat me moed in, geeft advies. Ik begraaf me in haar stem, terwijl het werk zich ophoopt tegen de wanden, de cocon laat doorbuigen. Wanneer ze weggaat blijft haar afwezigheid kleven.

 

Weken voor het breekpunt zitten we weer in de cocon. Ze komt vaker nu, bijna wekelijks. Intussen leef ik in een wereld van stress, ontspannen lukt me niet meer. Later zal ik begrijpen dat het geen stress is, maar angst. ‘Je moet afhaken,’ dringt ze aan. ‘Je gaat ziek worden, of erger.’ Haar ogen boren zich in de mijne. ‘Neem een beslissing, nu je nog zelf aan het roer staat.’

 

De avond van het breekpunt stap ik gewoon in mijn wagen, net als vorige avonden. Wel met een afspraak bij de dokter, deze keer. Pascale was opgelucht, toen ik het haar vertelde. Het kon zo niet verder, bevestigde ze, het zou verkeerd aflopen als ik bleef doorgaan. De wagen hobbelt de parking af. Het heeft iets definitiefs. Ik laat alles achter me, de wagen is nu al een vreemde, hij gedoogt me.

 

De dokter knikt. ‘Ik ga niet meer terug,’ herhaal ik, alsof dokters dat de eerste keer niet horen. ‘Ik ben moe.’

‘Je gaat nog lang moe zijn,’ zegt de dokter. ‘Neem je tijd om uit te rusten.’

Wanneer ik weer de gure wind inloop, voel ik geen bevrijding. Er is zelfs een ander, nieuw gewicht bijgekomen. De nieuwe situatie, onbekend en dus bedreigend. Toch is er ergens een barst verschenen. Mijn eiland dat zich losmaakt van het vasteland. Zoiets gaat traag, als continenten die uit elkaar drijven. Maar ondertussen heb je een schip nodig, of een vliegtuig, om van het ene naar het andere te reizen.

 

Pas veel later, een half jaar of langer, toen ik weer enkele zinnen aan elkaar kon rijgen, maakte ik de keuze om te gaan schrijven ‘voor echt’. Meer dan tien jaar geleden al veranderden de vrijdagen in schrijfdagen. Maar het was niet voldoende gebleken, niet genoeg contrepoid tegen de wereld.

Vandaag kijk ik uit naar het verschijnen van Het Laatste Verbond, dat ik samen met Kurt schreef, en werk aan de tweede roman. De auto is al lang weggehaald, het salaris opgedroogd. De wolven zijn gebleven. Bij de rand van de wereld zitten ze, in elkaar gedoken, hun grijns vol scherpe tanden. Ik blijf bij ze vandaan. Mijn nieuwe pad is onzeker, ervaring leerde me echter dat de angst zich laat verdunnen door mijn pen. Schrijven is de enige reddingsboei, het levensnoodzakelijke medicament. Maar in mijn hoofd zit er eindelijk vrijheid. Mijn eigen werelden, mijn eigen eindeloosheid. Zoveel groot in mijn klein.

 

Erik Raeven

 

 

Reactie schrijven

Commentaren: 4
  • #1

    Daelemans (woensdag, 19 september 2018 17:09)

    Altijd weer knijpen je teksten me fijn..
    Doe wat je moet doen - en dat is bij jou schrijven.

  • #2

    Johan (woensdag, 19 september 2018 19:29)

    Geweldig dat je dit wilt delen.De batterij is soms leeg en het is een grote stap vooruit om dit voor jezelf te erkennen. Ik heb inmiddels het "het laatste verbond" bestelt bij Kurt. Het gaat je goed, en lange en vruchtbare weg ligt voor je.

  • #3

    Edward (donderdag, 20 september 2018 08:15)

    ik voel mezelf absoluut niet goed in mijne huidige professionele omgeving. Je tekst is een wake up call om het onder ogen te zien en te zoeken naar ene oplossing. Bedankt daarvoor

  • #4

    inge (donderdag, 13 december 2018 21:10)

    Aangrijpend mooi en beklemmend....voor velen vast herkenbaar. Je bent een voorbeeld voor velen die je weg zullen volgen.....ik kijk uit naar je volgende boek!